Podcast over #MeToo

Human maakte in samenwerking met NPO 3FM en KX Radio een podcast over #MeToo

Dr. Iva Bicanic initiatiefnemer en landelijk coördinator van het Centrum Seksueel Geweld werd hiervoor gebeld.

Luister hier de podcast terug. Het interview met Iva is vanaf minuut 44.30 te horen.

 

Jongens en mannen ook slachtoffer van seksueel misbruik

Bron: EenVandaag

Als we denken aan een verkrachting denken we bijna altijd aan een vrouwelijk slachtoffer en een mannelijke dader. Maar dat hoeft niet zo te zijn. Ook mannen worden misbruikt. Soms door een andere man, maar ook door vrouwen.

EenVandaag maakte een reportage over dit onderwerp.

Lees hier het gehele artikel.

 

Of bekijk onderstaand de reportage:

Iva Bicanic Brandpunt plus

Iva Bicanic geïnterviewd voor Brandpunt plus

Waarom slachtoffers vaak zo lang stil blijven over hun #MeToo-ervaring (Dus: #WhyIdidntreport)

Josette Kootstra, Roos van Tongerloo en Ylja Band

We spraken klinisch psycholoog Iva Bicanic over wat #MeToo met slachtoffers doet en vroegen haar hoe het komt dat het soms jaren duurt voor zij hun verhaal doen. “De reacties van anderen, nadat slachtoffers van seksueel geweld of seksuele intimidatie hun verhaal vertellen, zijn eigenlijk nog schadelijker dan het misbruik zelf.”

“Schuld en schaamte”, zegt klinisch psycholoog Iva Bicanic. “Dat is de ongewenste erfenis van seksueel misbruik.” Bicanic is landelijk hoofd van het Centrum Seksueel Geweld en werkt al vijfentwintig jaar als trauma-expert op dat gebied. Ze ziet dat die schuld en schaamte maken dat slachtoffers jarenlang zwijgen. Als je een inbraak of overval meemaakt, dan vertel je dat aan anderen, legt ze uit. Zoiets kan iedereen overkomen. “Maar als iemand je lichaam inbreekt of je aanrandt, dan durf je dat niet goed. De meeste slachtoffers voelen zich overvallen: ‘Huh, wat is er gebeurd?’ Daarna douchen ze heel lang en kruipen onder een dekbed om het maar te vergeten. Een recept voor PTSS: een langdurig onverwerkt trauma.”

Als de dader onbekend is – denk aan de man in de bosjes – is de kans groot dat het slachtoffer wel naar hulpverlening of politie stapt. Ook krijgen slachtoffers van een zogenaamde stranger rape vaker steun uit hun omgeving. Is de pleger een bekende, dan zwijgt het slachtoffer vaker, en zoekt hij of zij de schuld bij zichzelf: “Heb ik een aanleiding gegeven? Heb ik te vriendelijk gelachen, of ben ik te lang blijven hangen? Had ik dit kunnen voorkomen? Schaamte voor hun ‘falen’ en de angst voor de afwijzing die daarbij hoort, maakt dat ze het liever niet aan de grote klok hangen. ‘Wat zullen mensen denken als ze weten dat ik bij hem in huis was?’ Zeker als het slachtoffer deel uitmaakt van een soort cultuur waarbinnen iedereen elkaar een hand boven het hoofd houdt, voelt hij of zij zich heel alleen.”

“Het gaat heel geraffineerd, zegt Bicanic over de misbruikdynamiek. “Vaak zie je dat daders het niet bij een persoon laten in hun leven. Ze raken er getraind in de ander te manipuleren. Met mooie woorden en beloften strooit de pleger zand in je ogen, en als je in die val bent gelokt, is er vaak geen weg terug. Dan heeft hij je het gevoel gegeven dat jij ook mee hebt gedaan, en dus mede schuldig bent. Want hé: jij ging toch met hem mee naar huis? Je vond het toch fijn dat hij zei dat je mooi was? Bovendien: “Bij een bekende dader zit er meestal ook iets positiefs in de relatie. Een vertrouwensband, bijvoorbeeld, of dat het slachtoffer iets van hem kan leren.” Als het slachtoffer dan aangifte doet, of een ander vertelt van het misbruik, kan dat door die afhankelijkheidsrelatie voelen als verraad. “En de dader kan zijn slachtoffer onder een verwarrende psychische druk te zetten: aangifte doen of erover vertellen betekent dat ze elkaar nooit meer zullen zien. En dat betekent ook het verlies van al het goede van de relatie. Maar de meest gebruikte methode van de bekende daders is het simpele, verbale dreigen, zegt Bicanic. Je kent het wel: “Als jij je mond open doet, weet ik je te vinden.”

In onze reportage over de seksuele intimidaties van dirigent Leusink, vertelt een van de geïnterviewden dat ze bevroor, toen hij haar betastte, bij hem thuis op de bank. Ze duwde hem niet weg, zei geen nee, maar verstijfde. Volgens Bicanic doet zeventig procent van de slachtoffers van seksueel geweld en seksuele intimidatie niets, of werkt mee. “Het plotselinge karakter van de gebeurtenis maakt dat mensen flabbergasted zijn en letterlijk verlammen van angst”, legt ze uit. “Het is een automatische respons van je lichaam.” Tonic Immobility, heet dit. Een overlevingsstrategie van het lichaam, waardoor het voelt alsof je spieren verlamd zijn. Je kunt niets anders dan het ondergaan, en bent niet in staat te zeggen “He, eikel: houd op!” Bicanic: “Als het achter de rug is, slaan deze mensen zichzelf voor de kop: ‘Waarom heb ik niets gedaan? Waarom kwam ik niet in actie? Dit heet hindsight bias. De kwelling van schuld wordt veroorzaakt doordat we met onze kennis over de uitkomst van de gebeurtenis de herinnering aan wat we ervoor wisten, gaan kleuren. Hierdoor geloven we ten onrechte dat onvoorziene uitkomsten te voorzien en dus te voorkomen waren.”

Verlammen of meewerken, beiden zijn automatische overlevingsreacties. “Het idee daarachter is: liever aangerand of verkracht dan dood. Je probeert de dader te vriend te houden. Je wilt hem niet boos maken, want je denkt: ik moet hieruit zien te komen, levend. Want wat kan-ie nog meer doen?” Hoewel het vaak zo lijkt door films, benadrukt Bicanic, is nee zeggen of je fysiek verzetten als iemand een grens overgaat, dus niet vanzelfsprekend.

Als slachtoffers maanden, of zelfs jaren na het misbruik hun verhaal vertellen, roept er altijd wel iemand dat het lange wachten ze ongeloofwaardig maakt. “Dus je komt er nu mee? Was het al die jaren niet erg voor je, dan? Je zegt het zeker nu omdat je carrière even niet zo lekker loopt.” Als het gaat om een situatie waarin het slachtoffer niet direct in verzet kwam, zijn er zelfs mensen die van het slachtoffer een medeplichtige maken in hun commentaren. “Wat deed je daar dan? Waarom zei je geen nee? Als je met hem mee naar huis gaat in zo’n kort rokje, dan geef je zelf verkeerde signalen af.” De reacties van anderen, nadat slachtoffers van seksueel geweld of seksuele intimidatie hun verhaal vertellen, zijn eigenlijk nog schadelijker dan het misbruik zelf, zegt Bicanic. Het gaat om victim blaming. Waarom doen ze dat toch: het slachtoffer de schuld geven? “Over het algemeen vinden mensen seksueel geweld een ongemakkelijke realiteit”, legt Bicanic uit. “We willen gewoon niet geloven dat er docenten en trainers zijn die hun pupillen misbruiken. Zoiets vinden wij niet fijn om te weten, maar het is nou eenmaal waar. Om hun eigen schijnveiligheid intact te houden, praten mensen zichzelf aan dat het slachtoffer ‘dan wel een labiel type zal zijn’, of dat ‘ze erom gevraagd heeft’.” Want, stel je voor dat dat niet zo is: dan zou het iedereen kunnen overkomen.

Bicanic roept slachtoffers op hun verhaal te doen, ondanks de twijfels over schuld en het gevoel van schaamte. Alleen al omdat het verhaal van de een, de ander kan helpen bij het verwerken van eigen nare ervaringen: “Sommige slachtoffers denken: ik was de enige. Dan horen ze er nog zes, en dan gaat het schuiven in je hoofd. Kom ermee naar buiten. Er is een Centrum Seksueel Geweld in zestien plaatsen in Nederland, met een telefoonnummer dat 24/7 bereikbaar is. Zeker als het misbruik hooguit een week eerder plaatsvond, kan het centrum helpen. Die week is superbelangrijk: dan kun je nog sporen van de pleger veiligstellen, medische zorg verlenen aan het slachtoffer om besmetting van soa’s tevoorkomen.”

“Het is een ongemakkelijke realiteit, maar onbestaanbaar waar: iedereen kan slachtoffer van seksueel geweld worden. Gebeurt het? Meteen handelen: #belsnel: 0800 0188.”

Bekijk het hele artikel en de uitzending hier.

Centrum Seksueel Geweld

Werkbezoek ministers Dekker en Grapperhaus

Vandaag hadden we de grote eer om Minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker en Minister van Justitie en Veiligheid Ferdinand Grapperhaus voor een werkbezoek te mogen ontvangen in het Centrum Seksueel Geweld (CSG). Samen met diverse genodigden gaven we inzicht in onze werkwijze en spraken we over de toekomst van het CSG.

Bij het Centrum Seksueel Geweld werkt een team van artsen, verpleegkundigen, politie, psychologen, maatschappelijk werkers en seksuologen samen om slachtoffers van aanranding en verkrachting specialistische zorg te geven. Bij voorkeur geeft het CSG binnen zeven dagen professionele hulp, omdat dit de kans op medische en psychische problemen aanzienlijk verkleint. Ook heeft de politie veel meer kans om een dader te vinden, als er binnen een week sporenonderzoek wordt gedaan. Het CSG is 24/7 bereikbaar op het telefoonnummer 0800-0188 

Eerste hulp bij verkrachtingszaken

Centrum Seksueel geweld

In het Centrum Seksueel Geweld werkt medisch personeel met de politie samen. In Eindhoven melden zich opvallend veel slachtoffers.

Op de spoedeisende hulp van het Eindhovense Catharina Ziekenhuis staat een doos, achter slot en grendel: de onderzoeksset zedendelicten. Daarin wattenstokjes, tien bakjes voor nagels met een klein schaartje, envelopjes voor de haren, een liniaal om verwondingen te meten en een grote papieren zak voor de kleren van het slachtoffer.

Sinds april vorig jaar beschikt het Brabantse ziekenhuis over een Centrum Seksueel Geweld, waar slachtoffers van verkrachting of aanranding de eerste medische hulp krijgen. Hier ontfermen vier personen zich over het slachtoffer: een gespecialiseerde verpleegkundige, een forensisch arts, een forensisch rechercheur en een zedenrechercheur. Er worden ook sporen veiliggesteld die kunnen helpen bij een mogelijke aangifte. Alleen als het slachtoffer dat wil, wordt de politie ingeseind. Er komen allerlei soorten slachtoffers langs, al zijn jonge vrouwen oververtegenwoordigd. Het centrum is ook open voor slachtoffers van seksueel geweld dat langer geleden plaatsvond.

Het Centrum Seksueel Geweld zit op zestien plaatsen verspreid door het land, zes jaar geleden werd in Utrecht de eerste opgericht. Maar in Eindhoven is iets opvallends aan de hand: in één jaar meldden zich 106 acute slachtoffers, het grootste aantal op de drie centra in de Randstad na. En dit jaar blijft het aantal meldingen stijgen: eind juli waren er 101 acute meldingen.

Waarom nu juist in Oost-Brabant zoveel meldingen zijn, is niet onderzocht. Lidewijde van Lier, die leiding geeft aan de zedenrechercheurs van de politie Oost-Brabant, legt de oorzaak niet bij een hoger aantal verkrachtingen, maar denkt dat coördinator Susanne van Gog er een grote rol in speelt: zij belt dagelijks met GGD-vestigingen, scholen, gynaecologen, huisartsen en politie. Zodat instellingen weten waar ze slachtoffers van seksueel geweld naartoe moeten sturen.

Het was wennen voor sommige agenten, zo van: dit is toch óns vak?

Lidewijde van Lier politie O.-Brabant

In het begin zorgde dat nog weleens voor irritatie. Van Lier: „Het was wennen voor sommige agenten, zo van: dit is toch óns vak? Maar toen zagen zedenrechercheurs dat er in het centrum onmiddellijk zorg is, zonder wachtlijsten.” Sinds kort bellen agenten mij op, vertelt Van Gog. „Toen dat voor het eerst gebeurde, dacht ik: nu hebben we het voor elkaar.”

Tweede vestiging

Iva Bicanic, hoofd van het Landelijk Centrum Seksueel Geweld, verwacht dat Brabant-Oost dit jaar de meeste slachtoffers zal ontvangen. Ze noemt het centrum „een voorbeeld” voor andere centra. Door het hoge aantal slachtoffers wordt inmiddels een tweede vestiging in het ziekenhuis van Den Bosch overwogen. Oost-Brabant zou dan de eerste regio zijn met twee vestigingen.

Zakjes om sporen in te bewaren.

Voorheen werden slachtoffers van seksueel geweld niet goed genoeg behandeld, zegt politie-leidinggevende Van Lier. „Als een slachtoffer aangifte deed, stelden we sporen veilig. Maar de nazorg was niet goed. Terwijl het heel belangrijk is meteen medicatie aan te raden tegen hiv en slachtoffers begeleiding te geven.”

Ook in het ziekenhuis ontbrak het nodige, zegt coördinator Van Gog. „Als een slachtoffer zich bij ons meldde, moest diegene maar net geluk hebben een verpleegkundige te treffen die verstand had van het veiligstellen van bewijs.” Nu vertelt een slachtoffer niet vaker dan nodig zijn of haar verhaal en bevindt alle hulp – medisch, psychologisch en strafrechtelijk – zich op één plek.

De eerste zeven dagen na seksueel geweld zijn cruciaal, zeggen Van Gog en Van Lier. Hoe langer het duurt voordat sporen worden vastgesteld, hoe moeilijker een verkrachting te bewijzen is. En voor een slachtoffer is het belangrijk dat psychologische begeleiding en goede medicatie zo snel mogelijk worden aangeboden.

We weten dat heel veel slachtoffers zich niet melden uit schaamte

Susanne van Gog coördinator

Van Lier en Van Gog hopen dat nog meer slachtoffers zich zullen melden. „Dit is nog maar het topje van de ijsberg”, denkt Van Gog. „We weten dat heel veel slachtoffers zich niet melden uit schaamte. Ik heb niet de illusie dat die hele ijsberg hier ooit langs zal komen, maar we zien wel dat een laagdrempelige plek als dit centrum helpt.”

Tegen haar zin

Niet alle slachtoffers willen aangifte doen. Van Gog vertelt over een meisje dat tegen haar zin seks had. „Ze wist: als dat bekend wordt, kan ik zelf het slachtoffer worden van eerwraak.” Dat zijn lastige zaken, zegt ze. „Maar ik snap zo’n meisje wel.” Soms wordt later alsnog aangifte gedaan. „Ik ben ervan overtuigd dat we meer zaken kunnen oplossen doordat we snel na het misbruik starten met het opsporingsonderzoek”, zegt Van Lier.

Er blijkt ook wel eens helemaal geen sprake te zijn geweest van seksueel geweld. „Dan passen sporen bijvoorbeeld bij een val met een fiets. Dat zijn hele intense momenten: dan blijkt de grootste nachtmerrie voor ouders toch geen werkelijkheid.”

Susanne van Gog zoekt geregeld de uitspraken op van rechtszaken die het gevolg zijn van een bezoek aan het centrum. Als er een dader is veroordeeld, is ze trots op de teamprestatie. „Dan hebben we met zijn allen toch een goed onderzoek neergezet.”

Lees het artikel hier.

 

Foto’s: Ans Brys

Bron: NRC Handelsblad

Babette Rens

Zedenrechercheur Babette Rens zwemt voor het Centrum Seksueel Geweld

Zedenrechercheur maakt hoofd leeg door te zwemmen

Babette Rens uit Zwolle zwemt graag. Als ze dat kan combineren met het goede doel, hoeft de zedenrechercheur niet lang na te denken. Op 15 augustus gaat ze het IJsselmeer over voor het Centrum Seksueel Geweld. Lees meer hier.

Aantal meldingen seksueel geweld Brabant-Oost blijft maar stijgen; Jeroen Bosch Ziekenhuis wil helpen

DEN BOSCH – Het Jeroen Bosch ziekenhuis in Den Bosch voelt zich ‘maatschappelijk verantwoordelijk’ om een extra locatie te openen waar slachtoffers van seksueel geweld zich kunnen melden en laten onderzoeken.

Scenes uit BNN serie ‘Verkracht of niet’

Afgelopen November zond BNN de serie ‘Verkracht of niet’ uit. (Bron: BNNVARA)

Geraldine Kemper en Tim Hofman kijken in elke aflevering met een panel van veertien jongeren naar op waarheid geïnspireerd drama.

Wanneer is seksueel gedrag acceptabel en waar ligt de grens? Wilden ze dit allebei wel of werd een van beiden onder druk gezet? Heeft er iemand spijt en wat betekent dat dan? Deze vragen staan centraal in de discussie tussen 7 meisjes en 7 jongens in een villa in Baarn.

De uitzendingen zijn tot stand gekomen met medewerking van Centrum Seksueel Geweld, het OM, de Politie, enkele advocaten, Rutgers en Slachtofferhulp. Zij waren onder andere betrokken bij de keuze van de verhalen en de discussies in het huis.

Twee van de scenes zijn opgenomen bij de Centrum Seksueel Geweld vestiging CSG Noord-Holland.

 

Bekijk hieronder de scenes over een informatief gesprek en het sporenonderzoek.

 

© BNNVARA Juni 2018

 

 

Artikel in het AD: Vrouwen zoeken vaker én eerder hulp na verkrachting

Op AD.nl aandacht voor het Centrum Seksueel Geweld in een artikel van David Bremmer:

 

Vrouwen zoeken vaker én eerder hulp na verkrachting

Slachtoffers van aanranding en verkrachting zoeken steeds vaker én sneller hulp. Mede door alle publiciteit rond het #MeToo-schandaal kregen de vijftien Nederlandse rape centers vorig jaar een derde meer aanloop…

Lees het volledige artikel op AD.nl

 

Datum: 25 – 06 – 2018

Tekst: David Bremmer

Beeld: Uit een video van het Fonds Slachtofferhulp over seksueel geweld. © Fonds Slachtofferhulp

jaarverslag van het centrum seksueel geweld

Stijging cijfers van het Centrum Seksueel Geweld

Persbericht 25 juni 2018

Stijging cijfers van het Centrum Seksueel Geweld  

Uit het jaarverslag van het Centrum Seksueel Geweld (CSG) blijkt dat acute slachtoffers van aanranding en verkrachting zich in toenemende mate bij het CSG melden. Vergeleken met 2016 is er in 2017 sprake van een stijging van 33%. Vorig jaar meldden zich gemiddeld 3 acute slachtoffers per dag, waaronder 1 kind. 8% van de slachtoffers zijn jongens en mannen.

Sinds januari bestaat het Centrum Seksueel Geweld (CSG) in 16 regio’s. Het is dé plek voor kinderen en volwassenen die korter dan 7 dagen geleden een aanranding of verkrachting hebben meegemaakt. In deze periode – ook wel de gouden week genoemd – liggen kansen op medisch, forensisch en psychologisch vlak. Door de nauwe samenwerking in het CSG tussen politie, (forensisch) artsen, verpleegkundigen en psychologen worden deze kansen optimaal benut. Slachtoffers die geen contact met politie willen kunnen ook in het CSG terecht, net als mensen die langer dan 7 dagen geleden zijn misbruikt. In 2017 meldden zich 1103 acute slachtoffers en 1521 niet-acute slachtoffers, met een piek in oktober tijdens #Metoo en de campagne periode.

Iva Bicanic, landelijk coördinator: “De neiging van slachtoffers is om direct na een aanranding of verkrachting te gaan douchen en erover te zwijgen. Ze hebben vaak last van angst, schuld en schaamte en beseffen zich mogelijk onvoldoende dat er in die eerste week kansen liggen voor hun gezondheid, de verwerking en het doen van aangifte. Onze schatting is dat wij nu maar 2% van het totaal aantal acute slachtoffers zien. Het is belangrijk dat meer mensen ons weten te vinden. Elk CSG is 24/7 bereikbaar via het gratis nummer 0800-0188. Zo kunnen we slachtoffers in een vroeg stadium helpen. Hulp binnen zeven dagen verkleint de kans op medische en psychische problemen”.

Yet van Mastrigt, zedenexpert bij het Landelijk Programma Zeden, Kinderpornografie, Kindersekstoerisme, is het eens met Bicanic over de voordelen van snel melden: “De politie heeft veel meer kans om bewijsmateriaal te vinden als er binnen een week sporenonderzoek wordt gedaan. Bij de helft van de acute slachtoffers in het CSG doen we forensisch-medisch onderzoek met als doel sporen veiligstellen en letselduiding”.

Het eerste CSG is begin 2012 opgericht. Sindsdien zijn er steeds meer regionale samenwerkingsverbanden opgericht met financiering van het Fonds Slachtofferhulp, de gemeenten, de (lagere) overheden en regionale samenwerkingspartners. Begin 2018 is het laatste CSG geopend, waarmee de landelijke uitrol naar 16 regio’s compleet is.

Einde persbericht

Voor het jaarverslag: https://www.centrumseksueelgeweld.nl/over-ons/jaarverslag2017/

Voor meer informatie en interviewverzoeken kunt u contact opnemen met: 

Iva Bicanic, landelijk coördinator

i.a.e.bicanic@umcutrecht.nl

088-7554113